Klik hier om ARGUMENTEN VOOR EEN JONGE WERELD (PDF format 3MB).

In dit boekje staat een twaalftal natuurlijke verschijnselen die botsen met de veronderstelling van de evolutietheorie dat de aarde miljarden jaren oud zou zijn.

De getallen die in dit boekje vetgedrukt zijn (veelal miljoenen jaren) geven de maximale tijdsduur aan die voor dat proces nodig is, en niet de daadwerkelijke tijdsduur. De schuingedrukte getallen geven de tijdsduur aan die nodig zou zijn voor evolutionistische theorieën, voor elk argument. Van belang is dat de maximaal mogelijke tijdsduur altijd veel minder is dan de voor de evolutietheorie vereiste leeftijd. Dit in tegenstelling tot de bijbelse tijdsduur (6.000 - 10.000 jaar) die altijd ruim past binnen de maximaal toelaatbare leeftijden. De volgende punten vormen dus bewijsmateriaal tégen de evolutionaire tijdschaal en vóór de bijbelse tijdschaal.

Er bestaat nog veel meer bewijsmateriaal dat wijst op een jonge aarde, maar ik heb gekozen voor de in dit boekje genoemde punten om het eenvoudig en kort te houden. Enkele van de hieronder genoemde punten zijn alleen in overeenstemming te brengen met een oud heelal, als er een hele reeks onwaarschijnlijke en onbewezen aannames wordt gedaan. Een paar andere punten passen alleen binnen een jong heelal. De lijst begint met astronomische verschijnselen die op grote afstand van ons plaatsvinden, om vervolgens op te schuiven naar argumenten die verband houden met de aarde en uiteindelijk te eindigen met alledaagse feiten.

Sterrenstelsels winden zich zelf te snel op

De sterren in ons eigen sterrenstelsel, de melkweg, draaien rond het centrum van de melkweg met verschillende snelheden. De binnenste draaien sneller dan de buitenste. De waargenomen rotatiesnelheden in ons melkwegstelsel zijn zo hoog dat als het sterrenstelsel meer dan een paar honderd miljoen jaar oud zou zijn, er een kenmerkloze schijf van sterren over zou zijn in plaats van de huidige spiraalvorm.1

Maar ons melkwegstelsel wordt beschouwd als minstens 10 miljard jaar oud. Evolutionisten noemen dit het ‘winding-up’ dilemma. Dit probleem is al meer dan vijftig jaar bekend. Er zijn veel theorieën bedacht om dit fenomeen te verklaren, maar elk van die theorieën bleek te falen, na een korte tijd populair te zijn geweest. Hetzelfde ‘winding-up’ dilemma geldt ook voor andere sterrenstelsels.

In een poging het dilemma op te lossen, werd in de afgelopen decennia meestal gewezen naar de complexe theorie van de dichtheidsgolven1 . De theorie kent een aantal conceptuele problemen, moet arbitrair en heel nauwkeurig worden afgestemd. Recent is de theorie sterk in twijfel getrokken, met name door de ontdekking (via de Hubble ruimtetelescoop) van de zeer gedetailleerde spiraalstructuren in het centrale draaipunt van het zogenaamde ‘draaikolk sterrenstelsel’ M51.2

Kometen vallen te snel uiteen

Volgens de evolutionistische theorieën zouden kometen ongeveer net zo oud zijn als het zonnestelsel, ongeveer 5 miljard jaar. Maar elke keer als een komeet dicht rond de zon beweegt, verliest deze zoveel van zijn materie dat een komeet hooguit 100.000 jaar kan overleven. Veel kometen hebben een leeftijd van rond de 10.000 jaar.3

In de evolutietheorie wordt dit grote verschil verklaard door te veronderstellen dat:

  • Kometen afkomstig zijn van een niet waar te nemen, bolvormige Wolk van Oort die ver voorbij de omloopbaan van Pluto gelegen zou zijn.
  • Onwaarschijnlijke interacties met de zwaartekracht van onregelmatig voorbij komende sterren ervoor zorgen dat kometen ons zonnestelsel worden ingeslingerd.
  • Andere onwaarschijnlijke interacties met planeten de inkomende kometen afremmen; vaak genoeg om de honderden waargenomen kometen te verklaren.4 Tot nu toe is geen een van deze veronderstellingen onderbouwd door observaties of realistische berekeningen.

De laatste tijd wordt er veel gesproken over de Kuipergordel, een ring in het baanvlak van ons zonnestelsel, net buiten de baan van Pluto. Deze zou een bron van kometen zijn. Zelfs als er een aantal objecten van ijs zou bestaan op die plek, dan zou dat het probleem voor de evolutionisten nog niet oplossen. Want volgens evolutionistische theorieën zou de Kuipergordel snel uitgeput raken als er geen Wolk van Oort zou bestaan om deze aan te vullen.

Niet genoeg modder op de zeebodem

Elk jaar belandt er door de erosie van water en wind 25 miljard ton modder en gesteente in de oceanen.5 Dit materiaal stapelt op als sediment (d.w.z. modder) op het harde (door lava ontstane) bodembasalt van de oceaan. De gemiddelde dikte van deze modderlaag in alle oceanen, met inbegrip van de continentale platen, is minder dan 400 meter.6

Het belangrijkste bekende afvoermechanisme van deze modder is in, of beter gezegd, onder elkaar schuiven van de aardplaten (subductie door plate tectonics). Dat wil zeggen dat de bodem van de oceanen langzaam (een paar cm/jaar) onder de continenten schuift, waarbij een gedeelte van het sediment wordt meegesleept. Volgens de gangbare wetenschappelijke literatuur zorgt dit proces voor een jaarlijkse afvoer van slechts 1 miljard ton per jaar.6 Voor zover bekend stapelt de andere 24 miljard ton zich jaarlijks op. In dit tempo zou de huidige hoeveelheid sediment in minder dan 12 miljoen jaar zijn afgezet.

Volgens de evolutionistische theorie hebben deze processen echter al plaatsgevonden zolang er oceanen bestaan, naar verondersteld wordt 3 miljard jaar. Als dat zo zou zijn, impliceren de bovenstaande snelheden dat de oceanen totaal dichtgeslibd zouden moeten zijn met een laag modder van tientallen kilometers diep. Een alternatieve (creationistische) verklaring is dat het water van de zondvloed dat van de continenten afstroomde, de huidige hoeveelheid modder in korte tijd heeft neergelegd, zo’n 5.000 jaar geleden.

Niet genoeg natrium in de zee

Elk jaar voeren rivieren7 en andere bronnen meer dan 450 miljoen ton natrium naar de oceanen, Slechts 27% van dit natrium verdwijnt weer uit de zee.8,9

Voor zover bekend, blijft de rest in de oceanen waar het accumuleert. Als de oceanen oorspronkelijk geen natrium hebben bevat, zou de huidige hoeveelheid natrium in minder dan 42 miljoen jaar bereikt zijn, gemeten naar de aanvoer- en afvoersnelheid van vandaag de dag.

Dit is aanzienlijk minder dan de evolutionistische leeftijd van de oceanen van 3 miljard jaar. Het gebruikelijke antwoord op dit probleem is dat de natriumaanvoer aanvankelijk minder was en de afvoer groter. Maar zelfs berekeningen die de evolutionistische scenario’s zo goedgunstig mogelijk gezind zijn, komen nog steeds uit op een maximale leeftijd van 62 miljoen jaar.7 Vergelijkbare berekeningen10 voor andere elementen in het zeewater resulteren in nog veel jongere leeftijden voor de oceanen.

Het aardmagnetisch veld neemt te sterk af

De totale hoeveelheid energie die is opgeslagen in het aardmagnetisch veld is de laatste 1000 jaar gestaag afgenomen met een factor 2,7.11 De evolutionistische theorieën die deze snelle afname verklaren en tegelijkertijd een uitleg geven voor het feit dat het magnetische veld van de aarde miljarden jaren lang gehandhaafd is gebleven, zijn zeer gecompliceerd en ontoereikend.

Er bestaat echter een veel betere creationistische theorie. Deze is logisch en rechtstreeks gebaseerd op basale natuurkunde. Ze biedt een verklaring voor veel aspecten van het aardmagnetisch veld: zijn ontstaan, snelle ompolingen tijdens de zondvloed, afnames en toenames van zijn oppervlakte-intensiteit tot de tijd van Christus, en een gestaag verval sindsdien.12

Deze theorie komt overeen met de paleomagnetische, historische en tegenwoordige data.13 Het belangrijkste gevolg is dat de totale energie van het magnetische veld (niet de oppervlakte-intensiteit) voortdurend is afgenomen met minstens dezelfde snelheid als tegenwoordig. Met die snelheid kan het magnetische veld niet ouder zijn dan 10.000 jaar.14

Veel aardlagen zijn te scherp verbogen

In veel bergachtige gebieden vinden we aardlagen van honderden meters dikte die geplooid en gevouwen zijn in de vorm van een haarspeld. De gangbare geologische tijdschaal verklaart dat deze formaties al honderden miljoenen jaren diep begraven lagen en versteend waren, voordat ze werden geplooid. Het plooien heeft echter plaatsgevonden zonder barsten, in bochten die zo klein zijn dat de volledige lagenformatie nog nat en zacht geweest moest zijn toen deze geplooid werd. Dit betekent dat het plooien in minder dan enkele duizenden jaren na het afzetten van die lagen moet hebben plaatsgevonden.15

Geïnjecteerd zandsteen kort geologische tijdperken in

Er bestaan sterke geologische aanwijzingen16 dat het Cambrische Sawatch zandsteen van de Ute Pass breuk (ten westen van Colorado Springs in de Verenigde Staten) nog niet versteend was toen het naar de oppervlakte werd geperst tijdens het ontstaan van de Rocky Mountains. Dit Cambrische Sawatch zandsteen zou 500 miljoen jaar geleden zijn ontstaan en de Rocky Mountains naar men zegt 70 miljoen jaar geleden. Het is erg onwaarschijnlijk dat het zandsteen niet hard werd tijdens de veronderstelde 430 miljoen jaar dat het ondergronds lag voordat de Rocky Mountains werden gevormd. Het is waarschijnlijker dat deze twee geologische gebeurtenissen elkaar opvolgden in minder dan een paar honderd jaar. Hierdoor wordt de geologische tijdschaal dus enorm ingekort.

Radioactiviteit in fossielen kort de geologische tijdperken in tot slechts enkele jaren

Radiohalos zijn gekleurde ringen die zich hebben gevormd rondom microscopische stukjes radioactieve mineralen in rotskristallen. Ze zijn het fossiele bewijs van radioactief verval.17 Samengeperste Polonium- 210 radiohalos geven aan dat Jura, Trias en Eoceen formaties in het Colorado plateau zijn afgezet binnen enkele maanden tijd en niet over honderden miljoenen jaren zoals nodig is voor de gangbare tijdschaal.18 Polonium-218 ‘wees’ radiohalos, waarvan geen bewijs is voor een moederelement, duiden of op rechtstreekse schepping, of op grootschalige veranderingen in de radioactieve vervalsnelheid.19, 20

Helium op de verkeerde plaatsen

Alle in de natuur voorkomende families van radioactieve elementen brengen helium voort tijdens hun verval. Als dit verval al miljarden jaren bezig zou zijn, zoals evolutionisten veronderstellen, zou zich heel veel helium in de atmosfeer van de aarde moeten bevinden.

De snelheid waarmee helium vanuit de atmosfeer naar de ruimte ontsnapt, is te berekenen en blijkt zeer laag te zijn. Als we dit verlies in acht nemen, is de hoeveelheid helium in de atmosfeer slechts 0,05% van de te verwachten hoeveelheid helium die zou horen bij een ouderdom van 5 miljard jaar.21 Dit betekent dus dat de atmosfeer veel jonger moet zijn dan de binnen de evolutietheorie gehanteerde ouderdom.

Een onderzoek gepubliceerd in Journal of Geophysical Research (een wetenschappelijke periodiek over geofysisch onderzoek) laat zien dat helium, ontstaan door radioactief verval in diep gelegen hete gesteenten, geen tijd heeft gehad om te ontsnappen. Hoewel de gesteenten meer dan één miljard jaar oud zouden zijn, suggereert het hoge heliumgehalte een leeftijd van slechts duizenden jaren.22

Niet genoeg skeletten uit de steentijd

Antropologen die uitgaan van de evolutietheorie beweren dat de steentijd minstens 100.000 jaar heeft geduurd. Tijdens die periode zou de wereldpopulatie van Neanderthalers en Cro-Magnon mensen ongeveer constant geweest zijn, tussen de 1 en 10 miljoen. Al die tijd begroeven ze hun doden met voorwerpen.23 Volgens dit scenario zouden ze dan minstens 4 miljard lichamen moeten hebben begraven.24 Als de evolutionistische tijdschaal correct is zouden begraven botten veel langer dan 100.000 jaar mee moeten gaan. Veel van de 4 miljard steentijdskeletten zouden dus nog aanwezig moeten zijn (en dat geldt al helemaal voor de begraven voorwerpen). Er zijn er echter slechts een paar duizend gevonden. Dit duidt erop dat de steentijd veel korter moet zijn geweest dan evolutionisten beweren. In de meeste gebieden een paar honderd jaar.

Landbouw is te recent

Het gebruikelijke evolutionistische beeld is dat mensen wel 100.000 jaar lang jager-verzamelaars waren tijdens de steentijd, voordat zij minder dan 10.000 jaar geleden de landbouw ontdekten.23 Archeologisch bewijsmateriaal laat echter zien dat de mensen in de steentijd net zo intelligent waren als wij. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat geen van de 4 miljard mensen (genoemd in punt 10) ontdekt zou hebben dat planten uit zaden groeien. Het is juist waarschijnlijker dat de mens na de zondvloed minder dan een paar honderd jaar zonder landbouw leefde, als daar al sprake van is geweest.

De geschiedenis is te kort

Volgens evolutionisten bestond de mensheid al 100.000 jaar in de steentijd, voordat hij zo’n 4.000 tot 5.000 jaar geleden de eerste geschreven verslagen opgetekende. De prehistorische mens bouwde megalithische monumenten, maakte prachtige rotstekeningen en hield maanstanden bij.25 Waarom zou hij duizend eeuwen wachten om dezelfde kennis te gebruiken om de geschiedenis op schrift vast te leggen? De bijbelse tijdschaal is veel waarschijnlijker.24

Hier is het goede nieuws

Answers in Genesis wil God de heerlijkheid en de eer geven die Hem toekomt als Schepper. Zij wil door haar werk onderstrepen dat de Bijbelse geschiedenis een betrouwbaar beeld schetst van de daadwerkelijke oorsprong en de geschiedenis van de wereld en van de mensheid.

Een gedeelte van deze geschiedenis is feitelijk slecht nieuws, namelijk dat de rebellie van de eerste mens Adam tegenover God tot gevolg had dat er dood en lijden in de wereld gekomen is en dat de mens voortaan afgescheiden van God moest leven. We zien de gevolgen daarvan overal om ons heen. Alle nakomelingen van Adam zijn vanaf hun eerste begin al zondaren (Psalm 51: 5) en hebben ook zelf persoonlijk deel gekregen aan deze rebellie (zonde). Daarom kunnen zij niet leven met een heilige God, maar zijn zij veroordeeld gescheiden van Hem te leven. De Bijbel zegt dat ‘allen gezondigd hebben, en de heerlijkheid Gods derven’ (Romeinen 3:23) en dat allen daarom onderworpen zijn aan een ‘eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte’ (2 Thessalonicenzen 1:9)

Maar het goede nieuws is dat God er iets aan gedaan heeft. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar het eeuwige leven heeft.” (Johannes 3:16). Jezus Christus, de Schepper, heeft, hoewel Hij zelf volkomen zondeloos was, namens de mensheid de straf voor de zonde van die mensheid op zich genomen. Hij heeft dit gedaan om tegemoet te komen aan de rechtvaardige eis van de heiligheid en gerechtigheid van God. Jezus was het volmaakte offer. Hij stierf op een kruis, maar op de derde dag is hij weer opgestaan uit de dood. Hij heeft de dood overwonnen, zodat allen die werkelijk in Hem geloven, berouw hebben en zich afkeren van hun zonde en op Hem vertrouwen (in plaats van op hun eigen verdiensten) in staat zijn om terug te keren naar God en in eeuwigheid samen met hun Schepper te leven.

Daarom staat er: “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. (Johannes 3:18). Wat een geweldige Redder en wat voor een ontzagwekkende redding is er voorhanden in Christus onze Schepper!

(Als u wilt weten wat de Bijbel zegt over hoe u het eeuwige leven kunt ontvangen, neem dan contact op met een van de adressen voorin dit boekje)

Footnotes

  1. Scheffl er, H. en H. Elsasser, Physics of the Galaxy and Interstellar Matter, Springer- Verlag (1987) Berlin, blz. 352-353, 401-413. Back (1) Back (2)
  2. D. Zaritsky e.a, Nature, July 22, 1993. Sky & Telescope, December 1993, blz. 10. Back
  3. Steidl, P.F., ‘Planets, comets, and asteroids’, Design and Origins in Astronomy, blz. 73-106, G. Mulfi nger, ed., Creation Research Society Books (1983) 5093 Williamsport Dr., Norcross, GA 30092. Back
  4. Whipple, F.L., “Background of modern comet theory,” Nature 263 (2 Sept 1976) 15. Back
  5. Gordeyev, V.V. e.a., ‘The average chemical composition of suspensions in the world’s rivers and the supply of sediments to the ocean by streams’, Dockl. Akad. Nauk. SSSR 238 (1980) 150. Back
  6. Hay, W.W., e.a., ‘Mass/age distribution and composition of sediments on the ocean fl oor and the global rate of subduction’, Journal of Geophysical Research, 93, No B12 (10 December 1988) 14,933-14,940. Back (1) Back (2)
  7. Maybeck, M., ‘Concentrations des eaux fl uviales en elements majeurs et apports en solution aux oceans’, Rev. de Geol. Dyn. Geogr. Phys. 21 (1979) 215. Back (1) Back (2)
  8. Sayles, F.L. en P.C. Mangelsdorf, ‘Cation-exchange characteristics of Amazon River suspended sediment and its reaction with seawater’, Geochimica et Cosmochimica Acta 41 (1979) 767. Back
  9. Austin, S.A. en D.R. Humphreys, ‘The sea’s missing salt: a dilemma for evolutionists’, Proc. 2nd Internat. Conf. on Creationism, Vol. II, Creation Science Fellowship (1991) in press. Address, ref. 12. Back
  10. Austin, S.A., ‘Evolution: the oceans say no!’ ICR Impact No. 8 (Oct. 1973) Institute for Creation Research, address in ref. 21. Back
  11. Merrill, R.T. en M. W. McElhinney, The Earth’s Magnetic Field, Academic Press (1983) London, blz. 101-106. Back
  12. Humphreys, D.R., ‘Reversals of the earth’s magnetic fi eld during the Genesis fl ood’, Proc. 1st Internat. Conf. on Creationism (Aug. 1986, Pittsburgh) Creation Science Fellowship (1987) 362 Ashland Ave., Pittsburgh, PA 15228, Vol. II, blz. 113-126. Back
  13. Coe, R.S., M. Prévot, and P. Camps, ‘New evidence for extraordinarily rapid change of the geomagnetic fi eld during a reversal’, Nature 374 (20 April 1995) blz. 687-92. Back
  14. Humphreys, D.R., ‘Physical mechanism for reversals of the earth’s magnetic fi eld during the fl ood’, Proc. 2nd Intern. Conf. on Creationism, Vol. II, Creation Science Fellowship (1991) (ref. 12). 15. Austin, S.A. en J.D. Morris, ‘Tight folds and clastic dikes as evidence for rapid deposition and deformation of two very thick stratigraphic sequences’, Proc. 1st Internat. Conf. on Creationism Vol. II, Creation Science Fellowship (1986) blz.3- Back
  15. Address in ref. 12. Back
  16. ibid., blz. 11-12. Back
  17. Gentry, R.V., ‘Radioactive halos’, Annual Review of Nuclear Science 23 (1973) 347-362. Back
  18. Gentry, R.V. e.a., ‘Radiohalos in coalifi ed wood: new evidence relating to time of uranium introduction and coalifi cation’, Science 194 (15 Oct. 1976) 315-318. Back
  19. Gentry, R.V., ‘Radiohalos in a Radiochronological and cosmological perspective’, Science 184 (5 Apr. 1974) 62-66. Back
  20. Gentry, R.V., Creation’s Tiny Mystery, Earth Science Associates (1986) P.O. Box 12067, Knoxville, TN 37912-0067, blz. 23-37, 51-59, 61-62. Back
  21. Vardiman, L.The Age of the Earth’s Atmosphere: A Study of the Helium Flux through the Atmosphere, Institute for Creation Research (1990) P.O.Box 2667, El Cajon, CA 92021. Back
  22. Gentry, R.V. e.a., ‘Differential helium retention in zircons: implications for nuclear waste management’, Geophys. Res. Lett. 9 (Oct. 1982) 1129-1130. Zie ook ref. 20, blz. 169-170. Back
  23. Deevey, E.S., ‘The human population’, Scientifi c American 203 (Sept. 1960) 194-204. Back
  24. Marshak, A., ‘Exploring the mind of Ice Age man’, Nat. Geog. 147 (Jan. 1975) 64-89. Back
  25. Dritt, J. O., ‘Man’s earliest beginnings: discrepancies in the evolutionary timetable’, Proc. 2nd Internat. Conf. on Creat., Vol. I., Creation Science Fellowship (1990) blz. 73-78. Address, ref. 12. Back